shim

Achtergrondinformatie hoogbegaafdheid

Hoogbegaafdheid

 

Bron: Hoogbegaafd Dat zie je zó!, Maud Kooijman-van Thiel (red.), OYA productions, 2008

 

Definities en modellen

 

Hoogbegaafdheid is in de wetenschappelijke wereld een lastig thema gebleken.

Het lijkt te gaan om een zeer complex concept, dat wellicht ten dele ook ongrijpbaar is. In de wetenschappelijke literatuur circuleren enorm veel definities van hoogbegaafdheid.

Sommige wetenschappers, zoals Mönks en Mason (2000) hebben een poging gedaan om deze definities te classificeren. Zij gingen daarbij uit van modellen die aan de definities ten grondslag liggen. Immers, een definitie komt niet uit de lucht vallen. Ze komt voor uit een denksysteem, een denkmodel, uit een filosofie, uit een “manier van kijken”. Vrij vertaald kunnen de volgende invalshoeken (soorten definities, modellen) onderscheiden worden:

  • biologische
  • cognitieve
  • psychologische
  • pedagogische
  • prestatiegerichte
  • systemische
  • sociologische
  • antropologische
  • vergelijkende
  • domeinspecifieke
  • existentieel

 

In het navolgende gaan we kort in op  elk van deze invalshoeken en zullen we het meest kenmerkende van elke soort definitie weergeven.

Opgemerkt dient te worden dat er wetenschappers zijn die in de loop van hun carrière wezenlijk van definitie veranderden of zelfs vrij radicaal braken met de begrippen hoogbegaafdheid en hoge intelligentie.

Zo geven Csikszentmihaly (1998) en Sternberg (2005) uiteindelijk aan dat zij in dezen slechts creativiteit dan wel wijsheid zinvolle begrippen vinden.

 

 

Biologische definities

Achter deze definities gaat een denkmodel schuil, waarbij hoogbegaafdheid wordt gezien als een aangeboren eigenschap. Je hebt het of je hebt het niet. Het valt niet te leren, er valt – cru gezegd – weinig tot niets aan bij te schaven of te ontwikkelen. Terman (1950) was in zijn jonge jaren een belangrijke vertegenwoordiger van deze stroming.

Ook Dabrovsky (1977) past binnen deze stroming, wanneer hij over hoogbegaafdheid spreekt als zijnde de uiting of resultante van fysieke aanleg, namelijk van een neurologisch systeem dat zeer prikkelgevoelig is.

Nog weer andere wetenschappers spreken van een superior nervous system mals voorwaarde voor allerlei verschillende soorten bijzondere prestaties.

 

Cognitieve definities

Bij dit soort definities wordt een denkmodel gehanteerd, waarbij hoogbegaafdhei d gezien wordt als resultante van een cognitief proces. Daarin spelen informatieverwerking, geheugen en oplossingsvaardigheden een centrale rol. Training kan dus leiden tot vergroting van de (hoge) begaafdheid. Hoogbegaafdheid wordt dan vooral gezien als een intellectuele begaafdheid: het denken is tot grote hoogten ontwikkeld.

Extreme exponenten van deze denkrichting zijn degenen die hoogbegaafdheid gelijk stellen aan hoge intelligentie.

In het begin van zijn carrière was Sternberg deze mening toegedaan.

In ons land zijn dat bijvoorbeeld Resing en Drenth (2007). Zij zijn van mening dat hoogbegaafdheid c.q. hoge intelligentie een conglomeraat is van cognitieve vermogens, processen en vaardigheden, te weten: abstract, logisch en consistent kunnen redeneren; relaties, regels en patronen kunnen ontdekken in schijnbaar ongeordend materiaal; gemakkelijk en veel informatie kunnen opslaan in en terughalen uit het geheugen; en met bestaande of nieuw gevonden kennis problemen kunnen oplossen.

Ook binnen Mensa – als mondiale vereniging van hoogintelligente mensen – lijkt hoge intelligentie vaak gelijk gesteld te worden aan hoogbegaafdheid. Mensa positioneert zich daarmee in de hoek van de cognitieve modellen.

 

Psychologische definities

Achter deze definities schuilt een denkmodel waarbij persoonlijkheidskenmerken een sterke nadruk krijgen. Hoogbegaafdheid is weliswaar een aangeboren eigenschap, maar zij komt pas tot ontplooiing als daar bepaalde psychische of persoonlijk- heidskenmerken bijkomen.

Belangrijke vertegenwoordiger van de model is Renzulli (1977) met zijn drie-ringen-model     

 

 

 

Renzulli definieert hoogbegaafdheid als een samenspel tussen above average “ability”, task commitment and creativity. Anders gezegd, voor hoogbegaafdheid is méér nodig dan alleen hoge intelligentie, namelijk óók creativiteit en motivatie (taakgerichtheid, toewijding).

In zijn latere jaren past ook Sternberg (2005) met zijn WICS-model in deze stroming. Hij ziet hoogbegaafdheid als een synthese tussen intelligence, creativity and wisdom. Voorts is Jacobson (1999) een vertegenwoordigster van deze stroming. Zij omschrijft hoogbegaafdheid als bestaande uit intelligence, intensity, complexity and drive.

In het Marland Report (1972), tenslotte, worden nog weer twee andere psychologische kenmerken genoemd, die in geval van hoogbegaafdheid te zien zouden zijn, namelijk verhoogde innerlijke ervaring (inner experience) en verhoogd bewustzijn (awareness). Overigens werden deze twee laatste kenmerken nadien niet meer zo vaak aangehaald.

 

 

Pedagogische definities

Definities uit deze stroming hebben een ontwikkelingspsychologische, leertheoretische of pedagogische (onderwijskundige) basis. Hoogbegaafdheid wordt gezien als een proces waarin vóórgelopen wordt op leeftijdsgenoten. Het gaat bij deze definities altijd om opvoeding en begeleiding van kinderen. Zo omschrijft de Columbusgroep (1971) hoogbegaafdheid als een ontwikkelingsvoorsprong, een asynchroniciteit, die ondersteuning behoeft om uit te kristalliseren. In een aantal van de definities die in deze categorie vallen wordt hoogbegaafdheid gedefinieerd als resultaat van intensieve oefening, dan wel spontane of gecoördineerde leeractiviteiten. Hoogbegaafdheid wordt in deze stroming beschouw als aanleg (belofte) én - uiteindelijk – als méér dan aanleg. In die lijn ziet Mooij (1991) het dynamische karakter van hoogbegaafdheid als essentieel.

 

 

Prestatiegerichte definities

Bij dit soort definities wordt hoogbegaafdheid gezien als een observeerbare prestatie, al een resultaat van onderliggende hoge intelligentie. Volgens denkers uit deze stroming is hoogbegaafdheid iets wat niet zichtbaar, niet meetbaar is, behalve door prestaties. Dit zijn de meer gedragsgerichte definities, waarbij niet de basisvoorwaarde, noch het proces, maar slechts het resulterende gedrag (de prestatie) telt. De Nederlander Span (2001) is een belangrijke vertegenwoordiger van deze denkrichting. Hij definieert hoogbegaafdheid als “het gedurende langere tijd laten zien van excellente prestaties”. Ook Sternberg (2005) kan in deze stroming geplaatst worden. Hij was van mening dat er pas van hoogbegaafdheid sprake is, indien er excellente prestaties te zien zijn: prestaties die slechts zelden voorkomen, aantoonbaar zijn, tot productiviteit leiden en door de samenleving gewaardeerd worden. Sommigen doen wat water bij de wijn en zeggen dat er ook sprake is van hoogbegaafdheid als de persoon in kwestie in staat is tot grote prestaties (capable of high  performances). Formuleringen van de laatste soort zijn echter, hoewel ze de pretentie hebben het concept prestatie los te laten, in meer of mindere mate nog steeds gericht op presteren.


Systemische definities

Bij definities uit deze categorie worden modellen gehanteerd, waarbij hoogbegaafdheid een uitkomst is van interactie tussen individu (kind) en directe omgeving. Een hoog potentieel zal slechts tot hoogbegaafdheid leiden, als de omgeving hierin een positief stimulerende rol kan hebben. In deze stroming zijn meerdere bekende denkers te onderscheiden: Mönks, Gagné, tannenbaum en Heller. Zo breidt Mönks (1985) het model van Renzulli uit met sociale factoren

en definieert hij hoogbegaafdheid als een samenspel tussen persoonlijkheidskenmerken en een gunstige omgeving, te weten gezin, school en leeftijdgenoten (peers).

 

 

Gagné en Heller (2000) breiden het model van Mönks nog weer wat verder uit.

Zij plaatsen een aantal termen in een bepaalde verhouding tot elkaar: onder invloed van bepaalde omgevingsfactoren kan zich uit begaafdheid talent ontwikkelen en uit talent kunnen (op uiteenlopende gebieden) bijzondere prestaties voortvloeien. Tannenbaum tenslotte, voegt nog de systemische factor “geluk”toe.

 

 

 

 

 

 

Sociologische definities

Bij dit soort definities wordt een zuiver sociologisch standpunt ingenomen. Hoogbegaafdheid is dan geen persoonlijke eigenschap, laat staan een persoonlijke verdienste, maar slechts een resultante van de sociale omgeving en de daarin heersende opvattingen over intelligentie, begaafdheid en presteren. In deze denkrichting passen de Sovjetpsychologen, maar ook Ziegler (1997), die hoogbe-

gaafdheid ziet als aanpassing aan een complex systeem van interacties.

 

Antropologische definities

Bij deze definities wordt uitgegaan van cultuur als filosofische ingang. Zo wordt hoogbegaafdheid in Japan heel anders gedefinieerd dan in Amerika; bij Eskimo’s heel anders dan bij Aboriginals. Wat wordt verstaan onder hoogbegaafdheid is dan afhankelijk van wat er in een bepaalde cultuur als hoogbegaafd gekarakteriseerd kan worden, terwijl diezelfde persoon in een andere cultuur als niet-hoogbegaafd gekenschetst wordt.

 

Vergelijkende definities

Bij deze definities bestaat het denkmodel eruit, dat men hoogbegaafden vergelijkt met niet-hoogbegaafden. Op het punt van gedrag, persoonlijkheid en lichamelijke gesteldheid worden in positieve of in negatieve zin verschillen aangegeven. Zo stelt Colangelo (2003) dat hoogbegaafden in vergelijking met normaal-begaafden bovenmatig begiftigd zijn met positief gewaardeerde kwaliteiten, zoals uitstekende prestaties, sterk karakter, goede lichamelijke conditie en hoge sensitiviteit. Andere wetenschappers en met name clinici stellen daarentegen dat hoogbegaafden in vergelijking met niet-hoogbegaafden op het gebied van de geestelijke gezondheid grotere risico’s lopen, zoals sociale problemen, emotionele instabiliteit en dergelijke. In deze stroming worden hoogbegaafden gezien als afwijkend, als “anders”- anders dan het gewone, het gemiddelde of de verwachting.

 

Domeinspecifieke definities

Achter deze definitie schuilt een denkmodel waarin uitgegaan wordt van de gedachte dat hoogbegaafdheid geen eenvormig verschijnsel is. In aanleg zouden er al verschillende soorten hoogbegaafdheid aan te wijzen zijn, maar in de ontplooiing ervan zij er nog veel meer verschillen te zien. Dabrovsky (1977) heeft hetover psychomotore, sensuele, intellectuele, imaginaire en emotionele hoogbegaafdheid. Gagné en Heller (1998) onderscheiden niet alleen in de hoogbegaafde aanleg al verschillende accenten (intellectuele, creatieve, fysieke, emotionele en ongedifferentieerde vermogens), maar ook zien zij fundamentele verschillen in de uiteindelijke talenten. Gardner (1999) onderscheidt de meeste soorten hoogbegaafdheid (intelligentie), namelijk: muzikale, verbale, logisch-wiskundige, ruimtelijke, lichamelijk-kinetische, existentiële, naturalistische, intra- en interpersoonlijke, en spirituele intelligentie. Hij veronderstelt daarbij dat zij elk op een eigen plek in het brein zetelen.

 

Existentieel model

De meeste modellen gaan over hoogbegaafdheid en hoogbegaafden. Slechts heel zelden wordt hoogbegaafdheid vanuit hoogbegaafden zelf bekeken. Het gaat meer om externe herkenningsmodellen, dan om interne belevingsmodellen.

Het Delphi-model is een intern belevingsmodel.

Het Delphi-model Hoogbegaafdheid, Kooijman (2007) laat zien hoe de existentie (samenspel van zijn, denken, voelen, willen, doen en waarnemen) van hoogbegaafden gekleurd is in vergelijking met die van niet-hoogbegaafden. Het is een cyclisch model, waarbij zowel in de binnenwereld van de hoogbegaafde, als in de buitenwereld steeds nieuwe prikkels gegenereerd en aan de cyclus toegevoegd kunnen worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

shim